Grond

Door op 21 oktober 2019 in de categorie Algemeen.


Een psychische stoornis is een vastlopen. We bevinden ons op een doodlopende weg. Er vindt een herhaling plaats waar we niet uitkomen. We zijn in de macht geraakt van een eindeloze nacht. Dit kan zijn in de vorm van een niet-wijkende loodzware neerslachtigheid, of in de vorm van irreële angsten die ons de hoek in drijven, of een verslaving die ons te gronde richt. Psychische stoornissen komen in alle soorten en maten, maar het draait in de kern altijd om hetzelfde: we kunnen een bepaald stuk van ons leven niet aan. Dit toont zich echter nooit rechtstreeks en duidelijk. Het verhaal dat wij zijn – onze identiteit en onze wereld – is namelijk gebouwd op de vermijding en ontkenning van precies dit stuk. De ‘psychische stoornis’ is de verstoring hiervan. Het is daarom begrijpelijk dat voor velen het doel van de behandeling eenvoudigweg slechts een herstel is van de oude identiteit, een terugkeer naar ‘toen het nog goed ging’. De reguliere psychologische behandelingen sluiten hier vaak op aan, maar een diepere genezingspoging gaat juist de andere kant op. Het stelt zich bereid te luisteren naar het hier doorbrekende ondraaglijke en zoekt hierbinnen naar een grond.

Diepere behandeling

In plaats van te vluchten voor de nacht proberen we dieper de nacht in te gaan. In plaats van een herstel van het verdedigingssysteem richt een diepere behandeling zich op een ontmanteling van dit systeem. In plaats van een hernieuwde afdekking van het problematische gebied streven wij naar een blootlegging hiervan. Wij werken toe naar een dieper vertrouwen en het vinden van een diepere grond. Daarom spreken we ook niet over een ‘psychische stoornis met symptomen’, maar van een uitnodiging tot een nog onbekende, diepere ontwikkeling. Het is een uitnodiging tot een afwikkeling van de bestaande persoonlijkheid en identiteit en een herschrijven hiervan om aldus plaats te maken voor een ruimere identiteit en een diepere gronding. Wij beantwoorden hiermee aan het zijn van onszelf als mens, de mogelijkheid tot eigenlijkheid, tot een meer worden van ‘jezelf’.

De mens is geen mechanisme

Het vastlopen van iemand met een ‘psychische stoornis’ is niet het vastlopen van een mechanisme. De mens is geen mechanisme en er is dus ook niet iets stuk. Er hoeft niet iets gemaakt te worden of hersteld. De mens is niet iets dat wel of niet goed functioneert. Er is niet een stofje teveel of te weinig in onze hersenen waardoor het leven niet goed loopt en we niet gelukkig kunnen zijn. Het is ook niet zo dat ons denken verkeerd is, dat we van foutieve gedachten of oordelen uitgaan en dat we ons daarom niet goed kunnen aanpassen aan de werkelijkheid of wat dan ook. Deze hele benadering is fout. Het doet de mens geen recht. Het bezien van een mens als wel of niet functionerend is een belediging van de mens. Het is een belediging en een kortzichtigheid. Deze blik deugt überhaupt niet. Niet alleen als ermee naar de mens gekeken wordt, maar naar alles. Deze blik waant zichzelf neutraal en wetend en dwingt alles in een objectiviteit. Het beoordeelt alles vanuit een weten hoe het zou moeten zijn en het dwingt alles in een volgens ons ideaalbeeld goed functionerende wereld. Zo wordt naar alles gekeken. Er wordt onderzoek gedaan, gemeten en gedocumenteerd en men komt met allemaal beschrijvingen en studies naar wat er mis is of gaat en vervolgens met een plan om dit te ‘herstellen’ of te ‘verbeteren’. Het menselijke intellect staat in deze huidige tijd geheel in dienst van een verbeterde inrichting binnen deze wereld. Dit wordt gezien als een vooruitgang van de mens, maar het is in wezen een achteruitgang, een terugtrekken en een verlies. Ondanks dat deze blik pronkt met de ‘universele rechten van de mens’ schendt juist deze blik het wezen van mens en waarheid. Het weigert een verdieping en een luisteren. Het weigert te aanvaarden. Het weigert geduld. Het modern-wetenschappelijke denken – de modern-wetenschappelijke blik – houdt angstvallig vast aan logisch-rationeel denken en een materieel-objectieve werkelijkheid. Hierbinnen kunnen neerslachtigheid, angsten, dwanggedachten, verslavingen en waanbeelden slechts beoordeeld worden als afwijkingen of verstoringen. Er kan langs deze weg geen gesprek op gang komen, geen verdieping. En zo kunnen deze diep verborgen kamers en hun inneringen geen betekenis krijgen. De onderliggende problematiek kan niet bereikt worden, niet ter sprake komen en niet tot spreken komen. Dit is sowieso al moeilijk, want mensen zitten over het algemeen vast in een voorstelling van zichzelf, verwachtingen van zichzelf, een vaststaande interpretatie van wie zij zouden moeten zijn. Het modern-wetenschappelijke denken is geheel in lijn met deze vaststaande interpretatie. Hierin toont zich de dit denken grondende onderliggende angst voor diepte en echtheid. De modern-wetenschappelijke benadering – die geen benadering is, maar een op afstand houden van alles – ondersteunt de laffe vlucht van het moderne individu voor zichzelf. Het ondersteunt een op afstand houden van zichzelf: Ik heb een stoornis. Ik ben geestelijk ziek. Ik heb borderline. Mijn zoon is autistisch. Ik heb een psychose gehad. Ik heb last van stemmingswisselingen. Je losmaken van de aanpassing aan anderen en hun verwachtingen vraagt om een verdieping. Het is een moeilijke weg en het is een weg die je alleen zelf kan gaan en willen. Het is een keuze. Het is de beweging van een meer ‘jezelf’ worden, een eigenlijker worden: het ontwerp van een ruimere identiteit op grond van een diepere grond.

Betekenis van het mens-zijn

Deze opgave is de betekenis van het bestaan van de mens. Deze opgave geeft de mens zijn betekenis. Deze opgave is het geven van betekenis van de mens aan zijn leven. De mens weest in de eigen betekenisverlening van zijn leven. Psychische problematiek heeft niets te maken met het repareren van iets wat stuk is of het genezen van een ziekte. Het is de mens zelf in zijn wezen en ontwikkeling. Ten alle tijden, bij alle volkeren en in alle geschriften lezen we hierover. Het is altijd al de opgave van de mens geweest de wereld los te laten en zijn anker te verleggen naar het eeuwige, naar de Eeuwige. Ten alle tijden is dit de opgave geweest en ten alle tijden is dit niet makkelijk geweest. Het is altijd makkelijker geweest om dit niet te doen. Alle godsdiensten, religies en mysteriën hebben altijd geprobeerd de mens aan te moedigen tot deze beweging. De oproep tot deze beweging wordt in de huidige tijd echter duidelijk minder gehoord, nog minder gehoord. Alles wordt geduid vanuit de – objectief bestaande materiële – wereld en alles is gericht op een inrichting van de mens binnen deze wereld. Afgaande op de geschriften van verschillende volkeren is dit altijd al de neiging geweest van de mens, net zoals het zich losmaken van de wereld altijd al een opgave is geweest en een eigen keuze. In deze tijd lijkt het contrast en de moeilijkheid van deze eigen keuze groter dan ooit. De macht van het ons inrichten binnen de wereld lijkt sterker dan ooit. Het is een dominante, alle levensgebieden overheersende macht geworden. De oproep tot afgescheidenheid wordt niet tot nauwelijks gehoord. Waar deze oproep lijkt te klinken is het vaak slechts een schijnvertoning. En waar deze echt klinkt en waar gehoor gegeven wordt hieraan, wordt het belachelijk gemaakt en niet ernst genomen.

De laatste mens

Nietzsche benoemt deze tijd als de tijd van de ‘laatste mens’. De laatste mens weigert in te gaan op het wonder van ons bestaan. Hij weigert het wonder van het bestaan te erkennen. Hij zoekt zijn geluk uitsluitend in deze wereld en in dit leven.

Ein wenig Gift ab und zu: das macht angenehme Träume. Und viel Gift zuletzt, zu einem angenehmen Sterben.

Een beetje gif af en toe: daar krijg je aangename dromen van. En veel gif aan het eind, dan kan je aangenaam sterven.

De laatste mens richt zich uitsluitend op het wereldse.

“Was ist Liebe? Was ist Schöpfung? Was ist Sehnsucht? Was ist Stern?” – so fragt der letzte Mensch und blinzelt.

“Wat is liefde? Wat is schepping? Wat is verlangen? Wat is ster?” – zo vraagt de laatste mens en geeft een knipoog.

De aarde is klein geworden en op haar huppelt de laatste mens. De laatste mens maakt alles klein. Zijn geslacht is onuitroeibaar zoals de aardvlooi. De laatste mens leeft het langst. Hij heeft zich ingericht in het wereldse en doet er alles aan om alles zo aangenaam mogelijk te maken en te houden. Hij heeft zijn ‘geluk’ gevonden.

Inkeer en terugkeer

De mens is een opgave. Niet iedereen geeft gehoor. Niet iedereen is bereid om de diepte in te gaan. Niet iedereen is bereid te gronde te gaan. Niet iedereen is bereid mens te worden. Niet iedereen is hiervoor sterk genoeg misschien, maar hoe dan ook, het is een keuze. Wijzen en boodschappers van alle volkeren en tijden nodigen ons uit om onze aandacht af te wenden van de wereld. De mens is vreemd. Wij leven in de wereld, maar zijn niet van de wereld. In deze door de moderne wetenschap en techniek beheerste tijd wordt er echter over de mens gedacht als ván deze wereld, als een levend wezen tussen de anderen. We leren op school te denken over onszelf als een levend materieel organisme dat op grond van verhoogde hersenactiviteit bewust is geworden van zichzelf. Vanuit dit uitsluitend binnenwereldse perspectief kunnen angsten en onbeheersbare gemoedstoestanden als niets anders beoordeeld worden als verstoringen. Zij belemmeren ons functioneren en ons geluk. Van binnenuit dit perspectief kan de kortzichtigheid en het grote verlies van dit perspectief niet herkend en erkend worden. Dit kan slechts ervaren worden op grond van een stilstaan bij het wonder van ons bestaan. Bij de onwereldsheid van het hier zijn. Bij de volstrekte onbekendheid en onduidelijkheid van onze herkomst. Bij de oceaan van onbegrijpelijkheid die ons omgeeft en de volstrekt onbegrijpelijke en ongrijpbare ontmoeting waarbinnen wij ons – met ons leven – in bevinden. Hier hoef je op zich niet gelovig voor te zijn, maar dit inzicht, dit diepere zicht is wel verbonden met geloven, religie en spiritualiteit. Het verwijst naar een dimensie voorbíj: voorbij deze wereld, voorbij ruimte en tijd, voorbij het leven, voorbij onszelf en voorbij het denken, voorbij de taal, voorbij alles. Allesomvattend en alles doordringend. Ondanks dat deze dimensie verborgen is en blijft, voelt het als ons thuis. Onze herkomst. Het voelt nabij en vertrouwd. De weg hier naartoe is de weg terug. Onze thuiskomst.

وَلَلْآخِرَةُ خَيْرٌ لَّكَ مِنَ الْأُولَىٰ
En zeker, het laatste is beter voor jou dan het eerste.

De opgave van het leven is de inkeer tot ons wezen. Vanwege onze mogelijke verhouding tot onszelf is het worden van onszelf een keuze. De keuze is de wel of niet – en de mate van – overgave aan de grond van ons bestaan. Dit klinkt bizar en dat is het ook, want hoe zou je je kunnen afkeren van de grond? Maar gek genoeg is dat precies hetgeen wat de mens kan, en doet. Hij keert zich af van zijn grond en wendt zich tot de wereld, richt zich in binnen deze wereld, verliest zichzelf daarin. Het is een onvermijdelijke en noodzakelijke vervreemding. Wij zijn reizigers. Wij zijn vreemd en we zijn vervreemd. Wij hebben onszelf zowel verloren in de wereld als in de ander. Wij komen tot ons bestaan in verdeeldheid. Wij zijn en hebben geen eenheid. Wij zijn wie wij zijn binnen de wereld, maar binnen de wereld kunnen wij tegelijkertijd niet zijn wie wij zijn. Wij rennen een wedstrijd die we moeten verliezen om hem te kunnen winnen. Het leven, de godsdienst en een psychologische behandeling draaien uiteindelijk allemaal om hetzelfde, dezelfde weg, dezelfde inkeer, dezelfde terugkeer, dezelfde onbegrijpelijke terugkeer, dezelfde onbegrijpelijke terugkeer tot de onbegrijpelijke en ongrijpbare herkomst van ons hier zijn. De terugkeer tot de ons tot ons bestaan roepende.

إِنَّ إِلَىٰ رَبِّكَ الرُّجْعَىٰ
Uw terugkeer is tot de Heer.

De ziel

De mens bestaat in verhouding tot de ander. De mens bestaat als een projectie. De mens is geen zelfstandig op zichzelf bestaand zijnde. Zowel ons lichaam als onze psychische identiteit kunnen wel zo bekeken worden, als losstaande, afzonderlijke eenheden, maar wij zijn dat niet. Er is iets heel geks met de mens. Om hier ruimte aan te geven, komt de nieuwe tijd met het woord ‘subject’. De mens is geen object, maar een subject. Wat het ‘subject’ ís wordt niet gevraagd of gedacht en kan het ook niet. Het subject is en blijft een gat in de werkelijkheid. Er wordt van uitgegaan dat het een eenheid is en men denkt erover als een object, maar dan met een speciale status en speciale rechten, als een zelfstandig ‘iets’, onschendbaar zelfs en ondeelbaar. Het woord ‘subject’ markeert het onvermogen van het moderne denken het wezen van de mens te denken. Wat is de mens? Wie zijn wij? Wij zijn degenen die ons levensverhaal vertellen. Wij zijn degenen die onze naam zeggen als iemand vraagt wie wij zijn. Wij zijn degenen die in de spiegel kijken of naar een foto van onszelf en denken: “Dit ben ik”. Dat lijkt hetzelfde als dat iemand anders – wijzend naar ons – zegt: “Dat is die-en-die”. Dat lijkt hetzelfde als de verwijzing naar ons in ons paspoort of in het bevolkingsregister. Of als wij slapen en iemand wijst naar ons en noemt onze naam. Van buitenaf – door de ander – worden wij gekend als die-en-die, maar wie wij zijn is degene die weet heeft van eigen bestaan, die zich zijn of haar leven herinnert van binnenuit, als zijn of haar eigen leven en bewust is van het feit dat hij of zij is. Precies dit zijn is volkomen raadselachtig en onbegrijpelijk. Hier bij stil staan geeft de mogelijkheid stil te staan bij iets wat bestaat en niet bestaat tegelijkertijd, wat alle on(to)logische en zich tegensprekende tegenstellingen lijkt te bevatten die er maar kunnen zijn. De mens is de breuk met zijn eigen poging alles wat is in kaart te brengen. Datgene wat wij zijn – datgene waarin en waarmee en als wat wij degene zijn wie wij zijn – is in verhouding tot de ander. En wie is dan deze oorspronkelijke ander in wiens oproep en aangesproken worden wij met ons bestaan in ons bestaan zijn gekomen? Is dat onze moeder? Zijn dat onze ouders? Nee. Zij spelen een uiterst belangrijke rol in onze ontwikkeling, maar zij zijn net zo verwonderd en overdonderd met ons bestaan als wij zelf, nog wel meer zelfs dan wij. Zij hebben ons onze naam gegeven, maar ons onder hun ogen en zorgen zich ontwikkelende zielenleven stamt niet van hen.

Het zijn van de mens is op de wijze van een antwoordend aangesproken worden. Het huist noch bij ‘onszelf’ noch bij de ander. Het huist in de verhouding tussen beide.

Viel hat von Morgen an,
Seit ein Gespräch wir sind und hören voneinander,
Erfahren der Mensch;(…)

Wij zijn niet een ‘iets’ dat vervolgens kan luisteren, praten, denken en bewust kan worden van zichzelf. Wij zijn vanuit en binnen en áls het gesprek. We zijn tot ons bestaan geroepen in een aangesproken worden. Wij antwoorden met en als ons bestaan. Binnen het gesprek dat wij zijn komt met ons ook de wereld tot zijn. Dit wezenlijk onbegrijpelijke wonder van ons bestaan noemt men van oudsher ‘de ziel’. De ziel is niet een iets. De dimensie van de ziel – zijn thuis – is bij God. De ziel is Gods. Tot deze, onze oorspronkelijke verhouding keren wij terug in het gebed. Wij zoeken en vragen om de oorspronkelijke stilte. Wij zoeken en vragen naar onze herkomst.

Golden blüht der Baum der Gnaden
Aus der Erde kühlem Saft.

De ondraaglijke diepte en onze verantwoordelijkheid

Ten aanzien van de verborgen diepe nacht in zijn ziel maakt de mens zijn belangrijkste keuze. Ga ik de nacht in en zoek en vraag ik daar – inkerend en terugkerend naar mijn grond – naar een onbereikbaar lijkende vrede, of zoek ik afleiding in de wereld en keer ik mij af van grond en diepte en doe ik er alles aan om het ondraaglijke te ontlopen? Dit klinkt als een zwart/wit-keuze en dat is het ook, maar ook weer niet, want wij maken deze keuze met de tijd. De tijd die ons gegeven is, de tijd van ons leven. Het is een ontwikkeling. Het is een weg. De keuze betreft de richting waarin wij bereid zijn te gaan. Zijn wij bereid de verantwoordelijkheid te nemen over wie wij zijn? Dat is de vraag. En precies deze vraag speelt dus ook bij een psychische behandeling. Het speelt vooral ook bij de keuze welke behandeling wij willen volgen. Willen we de opgebouwde identiteit en het verdedigingsmechanisme herstellen en terugkeren naar de wereld van toen-het-nog-goed-ging, of maken we ons op voor de terugkeer zelf, de reis naar de vergeten, diepe kamers van pijn en onrust om daar een onmogelijk lijkende diepe innerlijke rust te vinden. Geloven wij in die mogelijkheid? Zijn wij sterk genoeg om door de pijn heen de hoop niet te verliezen dat we ook daar vertrouwen en dankbaarheid zullen vinden? Durven we ons zo kwetsbaar en afhankelijk op te stellen? Durven wij de deur te openen voor God? Durven wij Hem alles te geven?

Moge Allah (سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى) ons de Wijsheid schenken van het ware geloven. Moge Hij ons hart vullen met diepe, diepe overgave. Moge Hij ons mens laten worden.


Laatste wijziging:
30 mei 2020