Groot is de schuld van de geborenen

Door op 21 december 2017 in de categorie Algemeen.


Binnen het veld van de psychische problematiek – het veld van de mens – speelt het fenomeen ‘schuld’ een zeer belangrijke, buitengewoon veelzijdige en zeer dubbelzinnige en ingewikkelde rol. Het vormt een belangrijk onderdeel in nagenoeg elke vorm van psychische problematiek. Zo kunnen mensen lijden onder – overmatige – schuldgevoelens. Dit kan op allerlei manieren, (schijnbaar) terecht en (schijnbaar) onterecht. Mensen kunnen echter ook juist te weinig schuldgevoelens hebben. Het wordt onderdrukt, of het is er soms helemaal niet. Schuld kunnen we hebben, maar ook krijgen, en dat kunnen we ons aantrekken, ook al vinden we dat zelf onterecht. Maar verder speelt schuld ook een rol in het denken over psychische problematiek, zowel theoretisch als in de gesprekken tijdens de behandeling. Wie (of wat) heeft de schuld? Wie of wat is verantwoordelijk? En wie kan – of moet – de verantwoordelijkheid nemen? En wat betekent dat? Schuld – schuldig zijn en je schuldig voelen – ligt diep in de menselijke psyche verankerd. Maar misschien wel zo diep dat het andersom te denken is? Dat de menselijke psyche in schuld verankerd ligt? En wat zou dat kunnen betekenen? En welke gevolgen heeft dit ten aanzien van het denken over en de behandeling van psychische problematiek?

Schuldig, in de morele betekenis van het woord, ben je zodra je uit vrije wil een morele wet of regel hebt overtreden. Je schuldig voelen kan daarop volgen, maar staat hier op zich los van. Je voelt je schuldig zodra je iets gedaan hebt – of juist gelaten – wat indruist tegen je geweten. Dit kan overeen komen met elkaar, maar dat hoeft niet. Hoe dan ook, wat de morele wet voor jou inhoudt en wat jouw geweten je zegt, zijn beide heel persoonlijk. Waar de één zich schuldig over voelt, voelt de ander zich dat helemaal niet. Hij is er misschien zelfs juist trots op. Mensen verschillen wat betreft geweten en moraal. Zelfs als men dezelfde algemene regels erkent, dan nog kan men verschillen in de concrete interpretatie en toepassing ervan, laat staan het wel of niet schuldig voelen na een overtreding. Schuld is dus iets subjectiefs. Maar aan de andere kant spreken we elkaar hier wel op aan. We verwachten van anderen dat zij dezelfde normen respecteren als wij. Moraal is iets van jezelf, maar tegelijk niet vrijblijvend. We geven elkaar de schuld. We beoordelen en veroordelen niet alleen onszelf, maar vooral ook de ander. En de ander ons.

We beschuldigen onszelf en de ander en rekenen dat onszelf of de ander aan. Schuld hangt samen met een tekort schieten. Het zou beter geweest zijn als we iets niet – of juist wel – hadden gedaan. Een volkomen mens – een ideaal mens – stellen we ons voor als een moreel volmaakt mens. Hij zou alles goed doen, geen fouten maken, geen morele wetten overtreden en een volkomen zuiver geweten hebben. Als mens zijn we echter eindig en dus niet volkomen. Deze gangbare interpretatie van de schuld gaat uit van een aantal vooronderstelde en onbevraagde uitgangspunten. Ten eerste is er de idee van de individualiteit van de mens, van de mens als een vrij over zichzelf beschikkend en bewust wezen dat één is met zichzelf. Schuldig wordt dit individu als hij binnen de verantwoordelijkheid van zijn vrijheid fouten en verkeerde keuzes maakt. Enerzijds wordt de mens dus voorgesteld vanuit een ideaal, als één met zichzelf. Anderzijds wordt het tekort geduid ten opzichte van dit ideaal, als het afvallen van dit ideaal. Fouten worden als on-volkomenheden begrepen: als een tekortschieten ten opzichte van het ideaal. Binnen het gangbare denken worden mens en wereld begrepen vanuit een ideaal en op grond daarvan beoordeeld en gewaardeerd. Alles wat er is en gebeurt wordt vergeleken met de volmaakte mogelijkheid ervan. En deze volmaakte mogelijkheid is tegelijkertijd niet mogelijk, want niets is volmaakt in deze wereld. Dit betekent dat alles als onvolmaakt begrepen en ervaren wordt, als nog niet of niet meer volmaakt. We kunnen deze benaderingswijze herkennen in alle facetten van het moderne bestaan. Alles wordt afgelopen op afwijkingen, op zaken die niet kloppen, die niet goed gaan. En dat gebeurt met name met onze benadering van onszelf. De mens wordt beoordeeld vanuit de norm, vanuit een normaliteit. Als een kind niet snel genoeg (normaal) groeit, als het niet op (de normale) tijd leert spreken, als de tanden niet (normaal) recht zitten, als het gedrag van een mens niet binnen bepaalde grenzen is van hoe het (normaal) hoort, dan moet hier iets aan gedaan worden. Dit gaat tegenwoordig binnen de westerse maatschappij heel erg ver, onvoorstelbaar ver eigenlijk als je er bij stil staat. Een paar decennia terug was hier nog een soort van verzet tegen, maar daar merk je tegenwoordig nog maar weinig van. Er valt hier een hoop over te zeggen, maar wat ik hier naar voren wil brengen is dat de afwijking weliswaar een cruciaal element vormt van alles wat er is, maar tegelijkertijd als zodanig volstrekt niet gewaardeerd wordt. Liever is het er niet. Het zou beter zijn als het er niet was. Iets wordt voorgesteld als wat het is zonder deze afwijking, zonder dit tekort. Het tekort komt er ongewenst bij als een bijkomstige breuk. Tegelijkertijd hebben we altijd en overal te maken met afwijkende, gebroken en onvolledige zaken. Zo ook de mens. Met name de mens. Het tekort zit dus wezenlijk en noodzakelijk ingebakken in alles, maar krijgt zelf geen enkele waardering of status. Alles verschijnt als on-volkomenheid en de on- van deze onvolkomenheid is een onbelangrijke en ongewenste bijzaak, en zelfs dat niet. Het is eigenlijk niets. Aldus blijft de mens als modern individu gevangen tussen een nimmer-voldoenende, tekortschietende werkelijkheid en een onbereikbaar blijvend ideaal alwaar hij pas echt zou kunnen zijn wat en wie hij eigenlijk is.

Als wij de noodzakelijke en wezenlijke rol van het tekort en het ‘on-‘ echter herkennen, dan kunnen we tot het besef komen dat we deze moeten – en dus ook kunnen – erkennen. Dit betekent echter een volledige omwenteling van ons denken. Wij zullen het tekort herkennen als het meest belangrijke en meest essentiële onderdeel van alles wat is. Aldus kan het denken terug thuis komen in het domein van de waarheid.

Wo es war, soll ich werden.

Onze schuld is niet een afvalligheid van een voor ons onbereikbare volkomenheid. Het is onze wezensgrond. Wij gronden in onze schuld. Het is onze wezenlijke verantwoordelijkheid voor onszelf en onze omgeving, onze wereld. De mens is geschapen voor deze wereld. En deze wereld is geschapen voor de mens. Ons tekort is niet een niet-bedoelde, mis-gegane bijkomstigheid, waarvan het beter zou zijn geweest als die er niet zou zijn. Ons tekort hoort bij ons, hoort innig bij onze wijze van bestaan. Zonder tekort geen menselijkheid. De mens en alles wat is, is juist in hoe, wat en wie het is, met en in het tekort en de schuld.

Dit lezen we ook in het verhaal van Adam en Eva zoals dit verteld wordt door Allah (سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى) in de Koraan. De mens is geschapen voor deze wereld. Zoals Hij zegt (interpretatie van de betekenis):

En toen uw Heer tegen de Engelen zei: “Ik wil een kalief op aarde plaatsen.”, zeiden Zij: “Zult U daarop iemand plaatsen die wanorde sticht en bloed vergiet?” Hij zei: “Ik weet, wat jullie niet weten” – Soerat al-Baqarah; 30

De mens is geschapen om kalief te zijn op aarde, als opvolger van Hem, als Zijn plaatsvervanger. Geen geringe opdracht. En blijkbaar wezenlijk verbonden en te begrijpen vanuit ons tekort en onze schuld. De Engelen begrepen het niet of waren verbaasd en vroegen zich af hoe een wezen dat weest vanuit het tekort een kalief op aarde kan zijn. Zal deze niet slechts wanorde stichten en bloed vergieten? Maar Allah (سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى) verzekert hen en ons (interpretatie van de betekenis):

Ik weet, wat jullie niet weten.

Wij zijn door God in ons bestaan geroepen en met deze zelfde roep worden wij ter verantwoording geroepen. De wereld opent zich voor ons, omdat wij hier iets te doen hebben. Wij hebben iets te doen met onszelf, met en in de wereld. Ons leven speelt zich af binnen ons gesprek met God, onze aanbidding van Hem. Dat is onze opgave. Dat is ons leven. Ons leven is onze opgave. Dat is grond van ons schuldigzijn. Wij zijn de aanbidding van Hem verschuldigd. De oplossing van geheel onze wereld en ons verlangen in Hem. Ons terugvoeren van al onze angst naar de vrees voor Hem. Onze ziel woont in de terugkeer tot Hem. Wij zijn niets zonder Hem. Wij zijn het niets dat het alles weerspiegelt, en onze opgave is het alles teruggeven aan Hem en daarmee te luisteren naar ons eigen niets-zijn. Luisterend naar ons eigen niets-zijn keren wij in op onze weg, de terugweg naar Hem.

Zoals de eerst neergezonden verzen, die tot onze Profeet – vrede zij met hem – kwamen, zeggen (interpretatie van de betekenis):

Lees op! En uw Heer is edelmoedigste, die onderwezen heeft in het schrijfriet. Onderwezen heeft de mens wat hij niet wist. Niets daarvan! De mens is waarlijk overmoedig, doordat hij zich behoefteloos waant. Tot uw Heer is de terugkeer.” – Soerat al-‘Alaq;  3-8

Het tekort is wezenlijk aan het bestaan van de mens. Fouten zijn fouten, maar dat het onvermijdelijk is dat wij fouten maken – die daarmee nog steeds fouten zijn – is zelf geen fout. Het is het wonder der wonderen. Het is een moderne illusie om te denken dat je eeuwig zou kunnen blijven leven als je niet dood gaat. Het is een moderne illusie dat je volmaakt gelukkig zou zijn als je leven geen tekorten zou vertonen. Het is juist andersom: we leven op grond van onze onvermijdelijke mogelijkheid tot sterven. We kunnen gelukkig zijn op grond van ons tekort. Niet als contrast, maar juist omdat we tekortschietenden zijn, kunnen we gelukkig zijn. Ons leven is een sterven. Onze sterfelijkheid opent onze ogen, ons verlangen, ons verdriet, ons leven, ons geluk, alles. Wij ontmoeten elkaar en de wereld in een afscheid nemen en een terugkeren. Dat is ons leven. Wij ontmoeten onszelf in een herinnering, die wij proberen te volgen en waar we naar proberen te luisteren. We zijn niet schuldig omdat we tekortschieten, we schieten tekort omdat we schuldig zijn. Het tekortschieten is de opening van onze mogelijkheden in de opgave ons gesteld in ons schuldigzijn. Ons tekortschieten opent ons weg terug naar Hem, onze weg, onze ziel. Zoals de Profeet heeft gezegd: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, als jullie geen zonde zouden begaan, dan zou Allah jullie weg doen en een gemeenschap stichten die wel zonde zou begaan en om vergiffenis zou smeken.” (Moeslim) En: “Elke zoon van Adam zondigt, en de besten onder degenen die zondigen zijn zij die berouw tonen.” (al-Tirmidhi) En: “Mijn volk! Toon berouw tegenover Allah en vraag Zijn Vergiffenis. Ik toon elke dag honderd keer berouw.” (Moeslim)

Onze schuld – welke schuld dan ook en hoe deze zich ook meldt – is dus altijd te begrijpen als een horen van de roep die ons ter verantwoording roept, dat wil zeggen terugroept tot onszelf. Onze schuld roept ons de diepte in van ons bestaan en is dus te begrijpen als een onderdeel van onze beproeving, onze opgave, ons leven. Geen bijkomstigheid en niet iets dat verwaarloosd zou mogen worden.

Groß ist die Schuld des Geborenen. Weh, ihr goldenen Schauer Des Todes, Da die Seele kühlere Blüten träumt.

Immer schreit im kahlen Gezweig der nächtliche Vogel Über des Mondenen Schritt, Tönt ein eisiger Wind an den Mauern des Dorfs.

Uit het gedicht Anif van George Trakl:

Groot is de schuld van de geborenen. Niets anders dan ontzag kunnen wij hebben voor het leed, waarmee de stortvloed van het sterfelijk zijn ons niets ontziend meesleurt en oproept tot God. Ondertussen verliezen wij onszelf in een poging tot een vredig bestaan, de vervulling van onze droom. Maar in waarheid gaan wij onze weg door een verlaten een eenzaam bestaan, worden wij aan alle kanten herinnerd aan de nacht om ons heen en volgen wij in die herinnering onze weg van inkeer en terugkeer, ons blootstellend aan de onwelkome, zeer welkome roep van God.


Laatste wijziging:
21 december 2017